Inleiding
In een goederenlijst uit 893 van de St. Salvator-abdij te Prüm (in de
Eiffel) wordt voor de eerste maal melding gemaakt van een kerk te
Arnhem. Deze Benedictijner-abdij bezat verschillende goederen in het
gebied rond het tegenwoordige Arnhem en had het recht, de pastoor van de
Arnhemse kerk te benoemen. Deze eerste parochie-kerk was aan de H.
Martinus (bisschop van Tours, gestorven 400) toegewijd.
Bij de recente restauratie-werkzaamheden aan de Grote of St.
Eusebiuskerk werden aan de Zuidzijde van deze kerk (dus aan de kant van
de tegenwoordige Markt) de funderingen ontdekt van een 11de eeuwse kerk.
Omstreeks het begin van de 15e eeuw begon men noordelijk van deze
romaanse kerk een nieuw gothisch priesterkoor te bouwen, waarvan
funderingen in 1959-'60 werden blootgelegd. Nadat de stad in 1452 door
bemiddeling van de abdij te Prüm het gebeente van de H. martelaar
Eusebius (gemarteld te Rome omstreeks 190) had verkregen, werd een begin
gemaakt met het schip en de toren van de tegenwoordige Grote Kerk, die
aan deze heilige werd toegewijd. Het priesterkoor van de Grote Kerk
staat op de funderingen van het bovengenoemde koor uit de eerste helft
van de 15e eeuw en op die van de romaanse kerk uit de 11de eeuw.
Sindsdien is de H. Eusebius stadspatroon van Arnhem. De bouw van de
,,Grote Kerk" duurde met enige onderbrekingen van 1452 tot na 1560. Het
15de eeuwse zilveren borstbeeld met de schedel van de heilige bevindt
zich thans in de St. Walburgisbasiliek te Arnhem.
Ontstaan
De oudste van de thans nog in Arnhem bestaande kerken is de St.
Walburgis, die met haar twee torens ruim zes eeuwen een belangrijke rol
speelt in het stadsbeeld en die wij op talloze schilderijen en
tekeningen van 17de en 18de eeuwse meesters als Van Goyen, Ruysdaal,
Cuyp en Jan de Beijer zien afgebeeld naast het machtige silhouet van de
Grote Kerk. In de middeleeuwen was de St. Walburgis een collegiale of
kapittelkerk, geen parochiekerk. Zij behoorde tot de negen voornaamste
kerken van het bisdom Utrecht. Oorspronkelijk was dit kapittel te Tiel
gevestigd (1006), waar het zijn intrek had genomen in een voormalig
vrouwenklooster, dat de H. Walburgis tot patrones had.
In 1315 kreeg het kapittel moeilijkheden met de Tielse bevolking en
vroeg verlof aan Reinald I van Gelre om zich in Arnhem te vestigen. De
graaf schonk hun een gedeelte van zijn grafelijke hof met het verlof een
kerk en woningen voor de kapittelheren te bouwen. Voorts gaf hij hun een
relikwie van het H. Kruis, die bewaard werd in de kerk te Dodewaard. Het
kapittel bestond uit twaalf seculiere kanunniken, die in gemeenschap
leefden zonder kloostergeloften. De proost stond aan het hoofd en was
tevens kanunnik van de Dom te Utrecht en raadsheer van de hertog van
Gelre. Aan het kapittel was een koorschool verbonden tot opluistering
van de kerkelijke diensten.
De oude kapittelkerk was gelegen in het meest oostelijke deel van de
middeleeuwse stad, zodat zij zeer dicht bij de stadsmuur stond en
waarschijnlijk daar zelfs deel van uitmaakte. Zeker is, dat de
tegenwoordige Sacramentskapel, aan de zuid-oostzijde van de kerk
opgetrokken in 1951, werd gebouwd op de fundamenten van een toren van de
stadsmuur.
De woningen van de kanunniken stonden rond het kerkplein, zoals men dat
nog kan zien bij oude kapittelkerken als de St. Jan en de St. Pieter in
Utrecht. De oude huizen zijn vervangen door 17e en 18de eeuwse woningen,
de kapittelheren zijn verdwenen, maar de oude sfeer van de besloten
immuniteit rond de kerk is nog bewaard. Zo was het tot 1944 ook rondom
de St. Walburg het geval.
Bouw 1330(?)-1553
Het tijdstip van het begin van de bouw is niet uit archiefstukken op te
maken, maar men mag aannemen, dat spoedig na de komst van de
kapittelheren (kort na 1315) met de bouw van de kerk en de woningen
begonnen is. Uit de stadsrekeningen blijkt, dat in 1362-1365
werkzaamheden in de kerk werden uitgevoerd en de oude sacristie werd
afgebroken. Er stond dus toen al heel wat. Uit het stadsarchief blijkt,
dat er in 1369 een overeenkomst gesloten is op ,,St. Laurensavond” (9
augustus) waarin wordt bepaald dat:
,,In 't yerste soe en suele die heren (kanunniken) aen der Statmuir niet
meer tymmeren (bouwen) dan daer nu ane ghetimmert is, uytgenomen dat
haer steenwerc eyscht van haerre kyrken dat daer nu ghetimmert is”
(Op de eerste plaats zullen de heren (kanunniken) aan de stadsmuur niet
meer bouwen dan dat er nu aan gebouwd is, uitgezonderd als het muurwek
van de kerk eist dat er gebouwd wordt)
Op dezelfde dag kwam men overeen ten aanzien van:
,,den toerne (toren) dien onse stat van Arnhem ghetimmert heeft . . .
die daer steet aen die suytside aen teynde van sente WaIburghekyrke”
(de toren die daar staat aan de zuidzijde aan het einde van de Sint
Walburgiskerk)
dat de ruimte onder het torengewelf door het kapittel en daarboven door
de stad gebruikt zou mogen worden.
Meermalen is deze oorkonde aangevoerd als bewijs dat de zuidertoren van
de kerk in 1369 voltooid was, maar het gaat hier kennelijk om de reeds
boven vermelde muurtoren, waar in 1951 de Sacramentskapel werd gebouwd.
In de oude stadsrekeningen staat verder, dat in 1391
,,den heren van sente Walburge gegeven tot oere tymmeringhe is LIIM
(52.000) steens”
(de heren van Sint Walburgis zijn 52.000 stenen gegeven voor de bouw)
Men kan hieruit afleiden, dat in die tijd nog aan de kerk gebouwd werd.
Het lijdt geen twijfel of de Walburg is volgens één ontwerp ,,aus einem
Gusz” gebouwd.
Uit de latere bouwgeschiedenis is nog bekend, dat in 1499 aan de
zuidzijde, op last van hertog Karel van Gelre, de kapel ter ere van de
H. Anna werd voltooid. De tegenwoordige doopkapel is oorspronkelijk
toegewijd geweest aan de H. Nicolaas en bestond reeds in 1557. De
dubbelkapel werd in het midden van de 16de eeuw gebouwd. De kerk heeft
in de oude tijden geen priesterkoor gehad: dit werd eerst in 1851-1852
aangebracht, toen de Walburg weer als parochiekerk diende.
Tijd van de hervorming
In 1579 kwam het bestuur der stad in de handen der Hervormden en werd de
openbare uitoefening van de katholieke godsdienst verboden. De
kanunniken trachtten nog kerkgoederen te redden en lieten deze naar
Huissen brengen. Veel van het kostbare kerkbezit werd vernietigd. Enkele
stukken werden door goedwillende katholieken verborgen en keerden in
latere tijd terug. Zo werd het zilveren borstbeeld met de schedel van de
H. Eusebius in Deventer bewaard en keerde in 1622 weer terug. De madonna
in de schatkamer in de Walburgisbasiliek werd in 1672 teruggevonden in
de Eusebiuskerk. In 1583 vestigde de Raad van Arnhem een weeshuis in de
verlaten woningen der kapittelheren. In 1614 werd het voorste gedeelte
van de kerk ingericht tot een bergplaats van munitie en tot arsenaal,
terwijl in 1622 het overige gedeelte werd gebruikt, voor een gevangenis
van soldaten.
Van Slichtenhorst schrijft in zijn ,,XIV Boeken der Geldersse
geschiedenissen” (1654) over “de heerlijke ende met twee toorens opklimmende Walburgen kerk aen de
wal, welke echter by onse tijden is onteerd, ende in een wapen-huys en
gevanghenis van krijghs-luyden is veranderd.”
(de prachtige en met twee torens opstijgende Walburgiskerk aan de
stadswal, die echter in de huidige tijd is onteerd en in een
wapenopslagplaats en een gevangenis van krijgslieden is veranderd)
In de 18e eeuw stond de St. Walburg bekend als ,,het arsenaal” en de
,,Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden” (1741) zegt van de
kerk, dat zij
,,tegenwoordig tot 's Lands magazijn wordt gebruikt”
en dat
,,het fraai gewelf thans gebrooken is”
Inderdaad moeten de gewelven over de hoofdbeuken in die tijd reeds
verdwenen zijn en waren schip en zijbeuken door houten zolders in drie
verdiepingen verdeeld.
Franse tijd
Nadat het bouwwerk in de Franse tijd aanvankelijk als paardenstal werd
gebruikt, schonk koning Lodewijk Napoleon de Sint Walburgisbasiliek op
22 juli 1808 terug aan de katholieke gemeente. Een jaar later ontving
het kerkbestuur een gift groot 16250,- gulden van de Koning als bijdrage
in de herstelkosten. Arnhem telde in de tijd 9560 zielen, waarvan 3500
katholieken. In 1811 werd de St. Walburgis-statie opgericht. De staties
(oude naam van de parochies) van St. Jan en St. Eusebius werden
opgeheven. Het kerkje van St. Jan, gevestigd in de St. Janscommanderie,
werd niet meer gebruikt, en het schuilkerkje van de St. Eusebius aan de
Varkensstraat werd een bijkerk van de St. Walburg-statie. Deze statie
omvatte het gehele gebied van de stad Arnhem, maar ook Velp en
Oosterbeek en strekte zich ten Oosten uit tot Wageningen, ten Westen tot
de Kleefsche Waard. De eerste pastoor van de nieuwe statie was pastoor
Jac. Pruijn. Na een voorlopig herstel werd de St. Walburg op 7 februari
1812 in gebruik genomen door de katholieke gemeente. In 1819 kreeg de
Zuidelijke toren twee klokken, afkomstig van de St. Janskerk, die in
1818 was afgebroken. Deze twee oude klokken, gegoten in 1477 en 1481
door Gerardus van Wou, hebben tot 19 september 1944 dienst gedaan.
Restauratie 19de eeuw
In 1851 werd een grootscheepse verbouwing ondernomen, die aan het
inwendige der kerk een geheel ander aanzien gaf. Vooreerst werd het
priesterkoor gebouwd, een 5-zijdige absis, waardoor de oorspronkelijke
zuiver rechthoekige plattegrond verloren ging. In 1853 werd in het
nieuwe priesterkoor een pompeus neo-gotisch altaar geplaatst, een
werkstuk van de bekende kunstenaar Veneman. Daarna werd de gehele kerk
in de neo-gothische stijl hersteld, waardoor het oorspronkelijke, sobere
karakter geheel verloren ging. Deze restauratie stond onder leiding van
de bouwmeester Th. Molkenboer uit Leiden. De stenen gewelven waren al in
de 17de eeuw ,.gebroken” en vervangen door houten zolderingen, die in
1808 voorlopig gestucadoord waren. Molkenboer ontwierp nieuwe gothische
kruisgewelven, die echter niet in steen, maar in hout en stucwerk werden
uitgevoerd. De krachtige, rechthoekige pijlers, zo karakteristiek in hun
vroeg-gothische soberheid, werden veranderd in laat-gothische
bundelpijlers door ze te beplakken met bakstenen kolonetjes, dik onder
de pleister. Overal werden op de tot dan toe onversierde muren blinde
traceringen in stuc aangebracht en de pijlers en gewelfaanzetten kregen
bladerkapitelen in hetzelfde inferieure materiaal. Het spreekt vanzelf,
dat de constructieve hechtheid van het gebouw, dat in de loop der eeuwen
door verregaande verwaarlozing al veel geleden had, door deze
onoordeelkundige “herstellingen” niet beter werd.  interieur in 1933
Te verwonderen is het dan ook niet, dat op 8 november 1854, kort na het
beëindigen van de vroegmis, de binnenmuren van de noordelijke toren
instortten en in hun val het orgel en een groot gedeelte van de gewelven
meesleepten. Onmiddellijk werd onder leiding van Molkenboer de
restauratie aangepakt, die in 1855 gereed kwam. Er werden tevens in de
zijbeuken galerijen aangebracht om de vele kerkgangers te kunnen
herbergen. In 1875, na de bouw van de St. Martinuskerk, zijn deze
uitgebroken. Bij deze restauratie werden de beide interieur in 1933
torenspitsen vernieuwd en slanker gemaakt. Ook de Noordertoren kreeg
tweegalmgaten, evenals de Zuidertoren. Daardoor verdween de typerende
a-symmetrie. De herbouw geschiedde in kleine waalsteen, die in kleur en
formaat niet paste bij het oude metselwerk. Ook daarna werd de kerk
voortdurend onder handen genomen, zoals het aanbouwen van een
kosterswoning (1886) en het bepleisteren van de binnenmuren (1928). In
1936 werd een omvangrijk hoofdaltaar geplaatst van Joep Nicolas. Van de
uitgebreide St. Walburgstatie werden in de loop der tijden afgescheiden
en tot zelfstandige parochies verheven: Velp (1842); St. Eusebius
(1858); Oosterbeek en Renkum (1860); St. Martinus (1875); H. Sacrament
(1941).
Oorlogsverwoesting
Bij de ,,Slag om Arnhem” brandde de kerk in de nacht van 19-20 september
1944 geheel uit. De zuidertoren stortte in en verwoestte de zuidzijde
van het schip. De oude van Wou-
klokken gingen verloren, zoals trouwens de gehele inventaris. De
gewelven stortten in en braken de oude zerken in de vloer van de kerk
stuk. (Enkele grote stukken van deze zerken werden later gelegd in het
pad van de nieuwe pastorie naar de nieuwe sacristie.) De muren van de
kerk bleven grotendeels staan, maar doorboord door kogelgaten en
aangevreten door het vuur. In het geëvacueerde, dode Arnhem stonden de
naakte rompen van de Grote kerk en de Walburg in de zee van verwoeste
huizen als manende getuigen van een zinneloze verwoesting.  verwoesting in 1944
Toen
in het voorjaar van 1945 de geëvacueerde parochianen druppelsgewijze
terugkeerden, werd als opvolger van Deken F.L. Stockmann, die tijdens de
evacuatie in Apeldoorn was overleden, L. M. R. Vos de Wael (pastoor van
1945-1951) tot bouwpastoor benoemd. Het is de krachtige persoonlijkheid
van deze priester, die naast het volbrengen van de zware taak, het
parochiële leven weer op gang te brengen, met onuitputtelijke energie
heeft geijverd voor het herstel van de kerk. Daarin werd hij bijgestaan
door vele goedwillende Arnhemmers, die het ,,Comité Opbouw Walburg
Arnhem” (COWA) oprichtten. Een noodvoorziening werd getroffen voor de parochianen, eerst in de aula
van het Stedelijk gymnasium aan de Statenlaan en de bovenzaal van ,,National" aan de Bakkerstraat, later door de bouw van een noodkerk aan de
Rietgrachtstraat. |
Herstel
1947-1951
Nadat pastoor Vos de Wael deze voorlopige schikkingen voor zijn
parochianen had gemaakt, kon hij zijn volle energie wijden aan het
herstel der oude kerk. Bij het puinruimen bleek, dat practisch de gehele
inventaris verloren was gegaan.
In overleg met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Den Haag werd de
leiding van de restauratie toevertrouwd aan de architecten Prof. Ir. M.
J. Granpré Moliére te Wassenaar en Ir. G. M. Leeuwenberg te Utrecht, van
wie de eerstgenoemde al spoedig terug trad. De restauratie werd
uitgevoerd door de Arnhemse firma Jos. Neijenhuis. Met de dagelijkse
leiding was belast de opzichter J. Balfert. Het COWA-comité wekte in de
stad Arnhem en in geheel Nederland belangstelling voor de restauratie en
droeg daardoor in belangrijke mate bij in de grote activiteit van het
kerkbestuur. Begin 1947 waren de voorbereidende werkzaamheden zover
gevorderd, dat pastoor Vos de Wael de eerste steen kon leggen voor de
wederopbouw. Op 2 februari 1947, feest van Maria Lichtmis, werd deze
steen geplaatst in de pijler van de zuidelijke toren.
De restauratie stelde zich ten doel, de oorspronkelijke, 14de eeuwse
toestand van het monument zo nauwkeurig mogelijk te herstellen, echter,
om praktische redenen, met behoud van het priesterkoor, dat in 1851 was
aangebouwd. De funderingen bleken nog in zeer goede staat te verkeren.
Bij de onderzoekingen, die aan de restauratie voorafgingen, was reeds
aan het licht gekomen, dat de pilaren onder de ommetseling met
kolonetten en het later aangebrachte neo-gothische stucwerk hun
oorspronkelijke vierkante vorm hadden bewaard; zelfs de banden van
trachiet werden teruggevonden. Ook van de vroegere vorm der scheibogen
vond men sporen terug en in de hoofdbeuk waren op
verschillende plaatsen boven de resten der verbrande houten gewelven de
aanzetten van de middeleeuwse stenen gewelven te zien.
Onder dikke lagen stuc en pleister trof men enkele authentieke
vroeg-gothische kapitelen aan. Aan de hand van gevonden fragmenten was
het aldus mogelijk een getrouwe reconstructie te ontwerpen van het
gebouw in zijn middeleeuwse toestand. In de noordgevel werd een
eenvoudig gothisch poortje vrijgemaakt, dat thans, evenals in de
middeleeuwen tot ingang van de sacristie dient. De uitgesleten dorpel
van dit poortje werd in zijn oude toestand bewaard.
In de beginfase van de restauratie werden de pilaren hersteld in hun
oorspronkelijke rechthoekige vormen. Verschillende pijlers moest men
geheel opnieuw optrekken, daar zij zeer waren verzwakt door de brand. De
zuidertoren werd hersteld en de galmgaten, twee aan elke zijde, in hun
oorspronkelijke vorm aangebracht: de boogpunten neigen iets naar elkaar
toe, een perspectivisch hulpmiddel van de middeleeuwse bouwmeester om de
dorre symmetrie op te heffen.
Na een korte onderbreking pakte men de restauratie in 1949 met kracht
aan. Nadat de pijlers hersteld of vernieuwd waren, werd het oude
metselwerk van 1855 aan de noordelijke toren en het noord westfront
wegens de afwijkende kleur en formaat gesloopt en opnieuw gemetseld. De
kerk kreeg een bekapping van Zweeds vurenhout. In plaats van de eiken
schoorconstructies onder de daken der zijbeuken, die verbrand waren,
werden stenen schoorbogen aangebracht. Het dak van het in 1851-1852
aangebrachte priesterkoor verlaagde men enige meters, zodat de oude
kruislijn van de kerk meer geaccentueerd werd.
De muren van het priesterkoor kregen aan de buitenzijde een ommanteling
van Limburgse moppen om de minder passende waalsteen te bedekken. De
gewelven, thans in steen, werden aangebracht. Het gehele metselwerk,
uitgevoerd in een grote maat baksteen, zogenaamde kloostermoppen
(formaat: 27-29 x 6-6,5 x 10-13), werd met een dunne pleisterlaag
bedekt, zoals het ook bij de middeleeuwse bouwwijze gewoonte was.
Doordat men deze pleisterlaag zeer dun aanbracht, bleven de vormen der
bakstenen nog spreken, waardoor zij een levendig cachet aan het
interieur van de kerk geven. In de zomer van 1950 kwamen ook de beide
torens onder de kap. De noordertoren kreeg aan de vier zijden telkens
drie galmgaten (in de oorspronkelijke toestand had slechts de westzijde
drie galmgaten). De torens herkregen hun oude overhuivende kappen met
ingesnoerde naaldspits zonder balustraden. De beeldhouwer P. van Dongen
uit Venray maakte op de oude gothische vormen geïnspireerde kapitelen
bij de aanzetten van de gewelfribben en de gordelbogen.
In de gewelven bracht de Babberichse kunstenaar Th. Elfering een speelse
ornamentiek aan van bloemen en rankwerk en op het vieringsgewelf de
symbolen van de vier evangelisten. Voor het zangkoor achter in de kerk
werd een eiken oxaal gebouwd. Onder deze tribune en in de nieuw
ontworpen portieken maakte de beeldhouwer Baron E. Speyart van Woerden
(Arnhem) enkele kleine, geestige kraagsteentjes.
Een geheel nieuwe sacristie werd in de traditionele vormgeving gebouwd
aan de noordzijde en kreeg verbinding met de kerk door het her-ontdekte
oude poortje. Onder de sacristie bracht men de kerkverwarming aan en
later een sprinklerinstallatie, die in geval van brand de gehele
bekapping kan nathouden. De 19de eeuwse toegangen in de westgevel werden
verwijderd en opzij van de torens kwamen nieuwe ingangen. De kapellen
aan de zuidzijde moesten wegens gebreken in de fundering geheel worden
afgebroken en herbouwd. Daarbij herstelde men de oude spitsboogvorm van
de ramen en bracht tentdaken aan met stenen balustraden. Oostelijk van
de dubbele kapel werd een nieuw portaal gemaakt, en daaraan aansluitend
een Sacramentskapel, op de plaats van de muurtoren, die in de oorkonde
van 1369 wordt vermeld.
Op 27 april 1951 overleed pastoor Vos de Wael. Hij had de voltooiing van
zijn levenswerk niet meer gezien, maar de eerste H. Mis, die met
bijzonder verlof van de Aartsbisschop in de bijna geheel gerestaureerde
Walburg werd gehouden, was zijn plechtige uitvaart, op 1 mei 1951. Nog
in hetzelfde jaar, op 28 november 1951 consacreerde de
aarts-bisschop-coadjutor, Mgr. Dr. B.J. Alfrink de gerestaureerde kerk,
en werd de kerk yoor de eredienst geopend.
Beschrijving
De St. Walburgis is een driebeukige pseudo-basiliek (d.w.z. dat het
middenschip wel boven de zijbeuken uitsteekt, maar geen eigen ramen
heeft) met een dwarsschip en twee torens, die over de westelijke vakken
van de zijbeuken zijn gebouwd. In zijn oorspronkelijke vorm bestond het
priesterkoor uit twee traveeën (gewelfvakken) en bezat het een rechte
afsluiting. Aangezien het transept niet buiten de zijbeuken uitspringt,
vormde de kerk (tot 1851) een zuivere rechthoek (36 meter lang en 21
meter breed).
In meer dan één opzicht behoort de Walburgkerk tot de merkwaardige
kerken van ons land. In de eerste plaats al wegens haar 14de -eeuwse
afkomst: kerken uit de 14de eeuw zijn in deze streken nu eenmaal veel
zeldzamer dan bouwwerken uit latere perioden. Ook het bezit van twee
torens stempelt de Walburg tot een vrijwel volstrekte uitzondering in de
Nederlandse gothiek. Zelfs de grootste en belangrijkste kathedralen als
de Utrechtse dom en de Bossche St. Jan bezitten slechts één toren. In de
gevallen, dat twee torens bij een gothische kerk bedoeld waren, zoals in
Deventer (St. Lebuinus), kwam niet meer dan één tot stand. Een volgende
merkwaardigheid is de oorspronkelijke plattegrond van de kerk, die voor
de aanbouw van de kapellen (in de 16de eeuw) en het priesterkoor (in de
19de eeuw) een zuivere rechthoek was. Wanneer men nu in de kerk gaat
staan op de trappen van het priesterkoor, met de rug naar het altaar,
krijgt men een zuiver beeld van de oorspronkelijke middeleeuwse
ruimtewerking van deze unieke kerk.
Bij geen enkele andere gothische kerk in Nederland ziet men ook de
eigenaardige rechthoekige pilaren met de banden van natuursteen en de
recht in het muurvlak uitgesneden bogen, zonder enige profilering. In
het inwendige vallen verder op de brede, driehoekig afgedekte
spaarnissen onder de ramen van de zijbeuken.
Karakteristiek is ook de sobere, zeer monumentale baksteenarchitectuur
van het uitwendige, waarvan vooral de prachtig gecomponeerde westelijke
gevel met zijn indrukwekkende torens opvalt. Een eigenaardigheid van
deze kerk zijn ook de gemetselde balustraden op de muren, die feitelijk
de enige decoratieve toevoeging aan het uitwendige zijn.
Sint Walburgis  Zij heeft nooit een voet gezet in onze streken. Toch werd zij hier
vereerd en werden kerken naar haar genoemd. Walburgis kwam, tegelijk met
de Duitse handelswaar via de waterwegen onze lage landen binnen.
Walburgis, of Walburga, Walpurgis, zoals ze ook wel genoemd wordt, stamt
uit een aanzienlijke Angelsaksische familie, waarvan veel leden zich
hebben ingezet om de Lage Landen en Duitsland te kerstenen. Zij was de
dochter van Richard en Wuna. Deze Wuna was een zuster van Bonifatius,
apostel van Duitsland, die in Dokkum vermoord is. Haar twee broers,
Willibald en Wunibald hebben ook in Duitsland gewerkt. Walburgis is rond
710 geboren in Sussex in Engeland. Zij kreeg haar opvoeding in het
klooster van Wimborn bij Bournemouth. Daar verbleven nog twee
familieleden van haar, Lioba en Thecla, met wie zij later naar Duitsland
zou gaan. Het klooster Wimborn maakte in die tijd een grote bloei door.
Het stond niet alleen goed aangeschreven wat betreft het geestelijk
leven, maar men beoefende er ook verschillende takken van wetenschap en
kunst. Van Lioba is bekend dat zij zeer bedreven was in het borduren van
kerkelijke gewaden, het kopiëren van handschriften en het vervaardigen
van miniaturen. Bovendien beheerste ze vreemde talen en bestudeerde ze
de Heilige Schrift en het kerkelijk recht. Misschien dat ze daarom de
eerste was die abdis werd in Duitsland. Walburgis, Lioba en Thecla
legden na verloop van tijd de gelofte af volgens de regel van Benedictus.
Ongeveer in diezelfde periode waren de vader en broers van Walburgis op
pelgrimage naar Rome, het Heilig Land en Constantinopel. Helaas heeft
Richard niet de hele tocht kunnen meemaken. Hij stierf in Lucca, een
stadje in de buurt van Pisa. Willibald en Wunibald trokken verder.
Tenslotte traden ze in, in het klooster van Monte Cassino, dat door
Benedictus zelf gesticht was.
Behoefte aan assistentie
De oom van Walburgis, Bonifatius, was door Paus Gregorius II belast met
de kerstening van de Duitse volken. Hij werkte in Hessen en Thüringen,
waar hij zich inzette om de Saksen te bekeren, met groot succes. In 732
benoemde Paus Gregorius III hem tot aartsbisschop van Duitsland.
Bonifatius bestuurde inmiddels achttien bisdommen en had dringend
behoefte aan assistentie, zowel van mannen als van vrouwen. Hij vroeg
onder meer hulp aan zijn familie. Willibald en Wunibald kwamen rond 740
in Duitsland aan. Willibald stichtte er verschillende kloosters
enThühringen. Hij stichtte het klooster van Heidenheim, en bleef daar
als abt tot zijn dood. Ook Walburgis, Lioba en Thecla begaven zich naar
Duitsland. Lioba werd abdis van het klooster Tauberbischofsheim.
Walburgis en Thecla werkten onder haar leiding. Zij wijdden zich aan de
opvoeding en het onderricht van de dochters van Duitse edelen die naar
het klooster stroomden en daar de sluier aannamen. Thecla volgde later
de Heilige Adelheid op als abdis van Kitzingen.
Lioba bleef abdis van het klooster Tauberbischofsheim. Ze was zeer
geliefd door haar vrolijke en vriendelijke aard; edelen en bisschoppen
vroegen haar om raad. Ze was bovendien graag gezien aan het hof van
Karel de Grote, met name als raadsvrouw en vriendin van Hildegard, de
echtgenote van de keizer. Lioba bracht haar laatste jaren door op het
keizerlijk landgoed Schornsheim, waar ze in 782 stierf.
Met dauw bedekt
Voor Walburgis intussen was ook een grote taak weggelegd. Haar broer
Willibald benoemde haar tot abdis van het vrouwenklooster van Heidenheim.
Het mannenklooster van Heidenheim stond onder leiding van hun broer
Wunibald. Na diens dood in 761 werd Walburgis abdis van het gehele
klooster. Onder haar leiding groeide Heidenheim uit tot een centrum van
geestelijk leven. Walburgis word geroemd als abdis en lerares. Van
heinde en verre kwamen gelovigen naar het klooster. Walburgis had ook de
gave om zieken te genezen. Na een rijk leven, waarin ze veel voor
anderen betekend heeft; stierf ze op 25 februari 779. Bisschop Otgar
liet in 871 het gebeente van Walburgis overbrengen naar Eichstätt, de
zetel van de bisschop. De kerk van het Heilige Kruis, waar haar gebeente
werd bijgezet, kreeg nu Sint Walburgis als naam. Een gedeelte van de
stoffelijke resten van Walburgis werden in 893 naar het vrouwenklooster
in Mannheim gebracht, en een deel kwam terecht in het klooster van
Veurne in België.
Aan het eind van de tiende eeuw groef men het gebeente in Eichstätt weer
op; het leek alsof het met dauw bedekt was. In oktober 1042 werden de
beenderen in een kleine sarcofaag opnieuw bijgezet in de crypte van de
kerk. Sindsdien druppelt ieder jaar van oktobor tot 25 februari, de
sterfdag van Walburga een heldere vloeistof uit de bodem van de stenen
kist. Deze vloeistof, Sint Walburgisolie, genoemd, wordt in schalen
opgevangen en gebruikt ter genezing van zieken, zoals Walburgis zelf al
tijdens haar leven deed.
Aan de waterwegen
Sint Walburgis werd een van de populairste heiligen van Duitsland. De
pelgrims kwamen uit alle windstreken om haar graf te bezoeken. Haar
verering raakte ook verspreid naar Nederland, België en Noord-Frankrijk,
waarschijn-lijk via Friese kooplui die handel dreven in dit gebied. Een
bewijs hiervoor zou kunnen zijn het feit dat de kerken die gewijd zijn
aan Walburgis te vinden zijn aan de waterwegen van Nederland en België.
In Nederland zijn of waren er kerken in Groningen, Zutphen, Tiel en
Arnhem; in België onder meer in Antwerpen, Brugge en Veurne, van waaruit
Noord-Frankrijk werd bereikt.
De schrijn van Walburgis
Pastoor Vos de Wael ontving in 1947 enkele relieken uit Eichstätt en
liet de schrijn ontwerpen en uitvoeren door Joop Janssen. In émaiI
cloisonné zijn taferelen te zien uit het leven van Walburgis:
Walburgis doet de storm bedaren, tijdens de overtocht uit Engeland.
Walburgis geneest een ziek meisje. De bloedhonden in het huis, die
gewoonlijk iedere vreemde aanvielen, lieten Walburgis met rust. Zij
krijgt de gave van bilocatie, ze kan op twee plaatsen tegelijk zijn;
beneden bij de zusters en boven in gebed.
Tenslotte is de begrafenis van Walburgis afgebeeld. Iedereen wilde haar
stoffelijk overschot hebben, daarom liet men de paarden van de lijkwagen
de keuze maken. Zij stopten bij de kerk in Eichstätt. Aan de voorzijde
van de schrijn staat een flesje met de Sint Walburgisolie.
De Heilige Walburgis wordt voorgesteld als Benedictijner abdis, met een
staf en het boek met de regels van de Heilige Benedictus. Op het boek
staat een flesje met de olie. Soms zijn een kroon en drie korenaren
toegevoegd. De aren verwijzen naar de legende waarin verteld wordt hoe
Walburgis een kind van de hongerdood redde.
Sint Walburgis is één van de veertien noodhelpers, met name tegen
oog-klachten en hondenbeten. Zij is patrones van Eichstätt, en van
kraamvrouwen, boeren, veldvruchten en huisdieren.
Haar feestdagen zijn 25 februari, haar sterfdag, en 1 mei,
Walpurgisnacht. Dit laatste was oorspronkelijk een Germaans feest. Na de
kerstening werd het een christelijk feest met Sint Walburgis als
patrones, om het eind van de winter te vieren.
Voor opmerkingen en suggesties over dit artikel kunt u mailen naar
tonvangestel@planet.nl. |