adventkrans en kroon

“De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan”

De adventperiode is de voorbereiding op Kerstmis. In die vier, soms vijf weken hebben niet alleen al onze zondagse vieringen maar ook alle andere activiteiten die betekenis: ‘voor bereiden op het licht van de ziel die het duister van de zelfzucht verdrijft.’

Zondag 3 december 17.00 uur: avondviering (vesper) met het Walburgisprojectkoor o.l.v. Eize Leertouwer; Oude orgelmuziek door Frank van Mierlo.

Woensdag 6/13/20 dec. steeds om 19.00 uur: korte avondviering met aansluitend persoonlijke meditatie.

Wat is de oorsprong van de Advent: Germaans, Romeins, Christelijk?

Onderstaand artikel is afkomstig van de KU Leuven.

  1. Inleiding

Nacht is om de huizen heen

Dood is in de bomen

Straat is uitgestorven steen

Tot er licht zal komen

Jan Duin

Eens zal het licht hier schijnen,

Van oost tot west van zuid tot noord

Dan zullen schaduwen verdwijnen

Bob Dylan

Uit uw hemel zonder grenzen komt gij tastend aan het licht

Met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen.

Huub Oosterhuis

  1. Achtergrondinformatie

2.1. De betekenissen van de adventskrans

2.1.1. Wachten op licht, de winterzonnewende

Een algemeen menselijke ervaring

In deze periode van het jaar ervaren we sterk de afname van het licht en de warmte doordat de kracht van de zon op het noordelijk halfrond afneemt. Mensen reageren minder uitbundig. Kruipen in dikke en donkere klederen. Haasten zich vlugger door het verkeer, van buiten rap naar binnen. Hun hoofd tussen de schouders en handen in de zakken. Ze lopen dichter bij elkaar, arm in arm om warmer te hebben. Ze zoeken de warmte op bij de haard, de centrale verwarming, de kachels. Door de duisternis zien mensen minder goed wat zich rondom hen afspeelt. Ze voelen zich vaak onveiliger en angstiger en onzekerder in hun handelingen. Daardoor haasten ze zich naar plekken waar er meer licht is en willen snel naar huis.

De mensen komen minder naar buiten als het donker en koud is. Om het warm te maken steken ze de verwarming of de haard aan en kaarsen voor de gezelligheid. Het zijn tekenen van het afnemende levensgevoel in de donkere periode van de winter waarbij de koude en de duisternis het lijken te winnen van de warmte en het licht.

Germaanse wortels

open haardvuurTerwijl het (zon)licht zwakker werd en de dagen korter, maakte de overvloed van de oogst geleidelijk aan plaats voor een soms genadeloze strijd om het naakte bestaan. Rond 22 december kwamen er de momenten dat de zon bleek stil te staan. Voor de Germanen was de tijd dat de zon een aantal dagen stilstond aan de hemel, ‘winterzonnewende’, het heiligste feest van het jaar.

Als de zon stilstond, zo dachten de Germanen, ‘werkte’ zij niet. Het zou goed zijn als de mensen uit eerbied voor de zon het werk ook zouden laten. Gedurende de tijd dat de zon aan de hemel stilstond, lieten de Germanen daarom alle arbeid rusten. Geen wagen- of spinnewiel mocht draaien. Symbolisch werd dit uitgedrukt door een met bosgroen versierd wagenrad aan het plafond van de woning te hangen.

Elk jaar opnieuw leek het er aanvankelijk alles van te hebben, dat het licht en daarmee het leven het onderspit zouden delven. Toch bleek de hoop op en de verwachting naar het licht onstuitbaar. Om die hoop uit te beelden en te ondersteunen brandden de Germanen grote vuren als ondersteuning van het licht en de zon. Dergelijke vuren waren bedoeld als grondige reiniging van zichzelf en van huis en haard, als afweermiddel tegen boze geesten van de duisternis, als onderstreping van het welkom zijn van het nieuwe jaar en de nieuwe zon.

Met dezelfde bedoelingen trok men ook rond met brandende fakkels en maakte men ook van takken en stro een rad, dat als symbool van de zon en van de eeuwige cirkelgang ervan ter ondersteuning, opwekking en versterking brandend van een helling werd gerold. Ze drukten daarbij de hoop en het verlangen naar meer licht en leven uit.

In realiteit beginnen vanaf 22 december stilaan de dagen te lengen, het verminderende licht komt op een keerpunt, het herwint aan kracht. De midwinterzonnewende wordt een feit. Het moment van het keren van de duisternis, de ombuiging naar het licht wordt gevierd. De levensverwachting, de hoop, de nieuwe vruchtbaarheid, het leven wordt gevierd, want telkens opnieuw blijkt het (zon)licht het laatste woord en de langste adem te hebben.

Christelijke betekenis

De periode van de advent is een christelijk gebeuren van stil worden en verwachten, van voorbereiden en leven naar het kerstfeest toe. Kerstmis is voor christenen een herdenkings- en herinneringsmoment van de geboorte van Jezus. Zij kijken uit naar het moment dat Jezus – ‘Emmanuel’ of ‘God-met-ons’ – ook in het eigen leven geboren mag worden. De langverwachte Messias komt als een schamel kind ter wereld, een teken van tegenspraak. In deze periode worden christenen uitgenodigd een grondhouding van verwachting en openheid aan te nemen. Zij maken hun hart klaar om Hem te ontvangen en opnieuw binnen te laten.

Het komende ‘Licht’

adventkrans met kaarsenDe adventskrans is een christelijke, symbolische, beeldende uitdrukking van verwachting en hoop. Het woord advent, komt van het Latijnse ‘adventus’ wat ‘de komende’ betekent, ‘God komt naar ons toe’.

In de geboorte van Jezus herkennen ze de menswording van God in de wereld. Hij is voor christenen een ‘lichtend’ voorbeeld om naar te leven. Jezus’ daden werden door mensen als een ‘licht’ in de ‘duisternis’ van hun bestaan ervaren. In hem herkenden ze Gods ‘licht’ voor de mensen.

Christenen zeggen van Jezus: ‘Hij is het licht van de wereld’. Eveneens is de Advent de periode van verwachting van Jezus’ wederkomst op aarde. De lezingen uit de bijbel in de periode van de advent verwijzen naar duisternis en licht in het leven. ‘De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan’ (Rom 13,12) en ‘Het volk dat rond dwaalt in het donker ziet een helder licht. Over hen die wonen in een land vol duisternis gaat een stralend licht op’ (Jes 9,1).

De Advent is ook de periode van verwachting van Jezus’ wederkomst op het einde der tijden, wanneer God “alles in allen” zal zijn.

De Advent begint op de zondag die het dichtst ligt bij het feest van Sint-Andreas (30 november), soms dus al eind november, nog vóór Sinterklaas. De advent telt in ieder geval altijd vier zondagen, maar omdat Kerstmis niet per se op een zondag valt, kan het aantal weekdagen verschillen, de Advent duurt op zijn kortst drie weken en één dag. De Advent begint op de zondag vier weken voor Kerstmis, de zondag tussen 26 november en 4 december. In 2004 start de Advent derhalve op zondag 30 november.

De zondagen van de adventstijd heten 1e, 2e, 3e, 4e zondag van de Advent. De eerste zondag is traditioneel ook de eerste dag van het nieuwe kerkelijke jaar. In de liturgie vormen Advent, Kerstmis, Onnozele Kinderen (28 december), het Feest van de Heilige Familie (zondag tussen kerst en nieuwjaar), Driekoningen (6 januari) en het Doopsel van Jezus (zondag na 6 januari) samen de ‘Kerstkring’.

Vroeger begon de Advent met Sint-Maarten (11 november). Die periode van zes weken kende ook vastendagen, vergelijkbaar met de periode van de vasten voor Pasen.

Zie ook achtergrondinfo de in de kijker rond Halloween

Het gebruik van de adventskrans zoals we dit vandaag kennen is afkomstig van een gebruik in kloosters waar men in de duistere kamers extra licht creëerde voor de advent. Voor de gelegenheid werd de lichtboog met groene takken en kaarsen versierd. Met Kerstmis werd de krans omhoog getrokken als een kroonluchter.

Een krans van licht met vier (rode) kaarsen

advent-krans-van-licht-leuvenDe meest gekende adventskrans is de groene krans met de vier rode kaarsen en het rode lint, tekens van leven en liefde, hoop op licht. Elke zondag van de advent wordt er telkens één rode kaars meer aangestoken. Het symboliseert de toename van het licht, het overwinnen van de duisternis, het groeien van de hoop en de verwachting naar de komst van de Messias. Vlak voor Kerstmis branden dan vier kaarsen.

Op kerstdag zelf kan men de kerstkaars ontsteken. Dat is een witte (grote) kaars die men midden in de krans plaatst. Wit is het symbool voor de zuiverheid van Christus, de puurheid van een kind.

Rond de krans wordt een rood lint gewikkeld. De rode kleur is de kleur van het leven. Ze verwijst naar de kleur van het bloed, en ook van de liefde en de hartstocht. Ook rijpe vruchten en bessen zijn vaak rood. Daarom is rood ook een feestkleur, want feesten wijzen op de overvloed van leven(svruchten) en vreugde. Rood verwijst verder naar warmte, het vuur en de zon. De rode kleur van de eeuwige levensstroom wordt gesymboliseerd door het aanbrengen van een rood lint dat omheen de krans wordt gewikkeld.

Als men in de advent streng de kleuren van de liturgie volgt, hanteert men (zoals in traditionele Lutherse kloosters waar de traditie sterk ingang vond) op de groene adventskrans 3 paarse en 1 roze kaars en paarse linten. De advent is een periode van bezinning en inkeer. Vandaar de paarse kleur in deze tijd van het jaar. Op de 3de zondag van de advent wordt het “gaudete” (verheugt u) gezongen en dan brandt de roze kaars en draagt de priester roze gewaden in deze kloosters als teken van vreugde omdat de komst van de Heer aangekondigd werd en men al voorbij de helft van de advent is. Met Kerstmis worden de paarse linten vervangen door witte linten en de krans wordt omhoog gehangen in het gewelf van de kerk. In het midden kan een bloemstuk komen met witte linten of een maretak als symbool van de geboorte van het Kind dat geluk brengt.

Een adventskrans kan ook een “lichtkrans” zijn. Die adventskrans wordt opgebouwd van donker naar licht. Jezus is het Licht van Kerstmis. Op de eerste adventszondag wordt een donkere kaars aangestoken, bijvoorbeeld diepblauw. Dan volgen kaarsen met een lichtere kleur: vb. groen, dan oranje en geel, of variaties van donkerblauw naar lichtblauw. De mogelijkheid is ook van klein naar groot enz.

Een ronde zonnecirkel

zonnecirkel-leuvenHet midwinterfeest, bij de Germanen ‘Jul’ feest genoemd, werd gevierd in de “Julmond” (december), met “Julbrod”, brood gebakken in de vorm van zonneraderen, van slangen of van hoorntjes. “Jul” in het Germaans betekent “wiel” of “rad”. Het rad van de zon dat blijkt stil te staan. Het wiel, het rad dat niet draait wordt symbolisch opgehangen, de vuren worden (zoals de zon) gedoofd en later opnieuw aangestoken. Het brood werd en wordt nog steeds gebakken in de vorm van een cirkel, van een rad, waarop kaarsen aangebracht werden, ter verduidelijking van het zonnerad. Het rad van de zon symboliseerde ook de eeuwige wederkeer van de seizoenen, de steeds herlevende vruchtbaarheid van het groene gewas. De cirkel van geboren worden, groeien, bloeien, vrucht en zaad dragen en weer sterven om nadien weer op te rijzen. Vandaar dat vele adventskransen met vruchten en zaden worden bekleed: appels, sparappels, noten enz.

Ook bij de Romeinen werd het feest van de onoverwinnelijke zon gevierd. De volgelingen van Mithras, de lichtgod, identificeerden hun god met de zon. In een besloten kring van ingewijden werd op 25 december – de dag van de winterzonnewende – de geboortedag gevierd van Mithras oftewel van de onoverwinnelijke zon. Dat werd uitgebeeld door optochten met beelden van een pasgeboren kind. Ook vierde men de dood van het oude jaar en de geboorte van het nieuwe gedurende ongeveer een week feest ter ere van Saturnus, de zogeheten Saturnalia. Saturnus werd door de Romeinen vereerd als de god van de landbouw en meer specifiek van het zaaien en de zaaitijd. De huizen werden versierd met takken ‘heilige’ hulst en klimop voor Saturnus, als bescherming tegen het kwade. Overal werden grote feestmaaltijden aangericht en men ging bij vrienden en verwanten op bezoek. Men bedacht elkaar met kleine cadeautjes, waarbij vooral de kinderen wel vaarden. De geschenken die zo uitgewisseld werden, waren vooral speciaal voor de gelegenheid gebakken beeldjes van aardewerk en waskaarsen die zinnebeeld van het zonlicht waren en die de terugkeer van dat licht mee zeker moesten stellen.

De oudste vermelding van het christelijke kerstfeest vindt men in een geschrift van 354, waarvan de kalender teruggaat tot ongeveer 336. Het is rond de tijd dat keizer Constantijn de Grote (272-337) zich in 313 tot christen bekeerde, dat het oosterse kerstfeest in het westen wordt overgenomen. Paus Julius I verklaart in het jaar 330 de 25e december tot geboortedag van Christus, en geeft aan 25 december een andere betekenis: niet de zon, maar Christus is “de onoverwinnelijke zon” (Sol Invictus), “de zon der gerechtigheid” (Sol Justitiae), kortom “het licht der wereld”. Zo krijgt het midwinterfeest een christelijke betekenis. Het is vrijwel zeker, dat Kerstmis is ontstaan als christelijke tegenhanger (of vervanger) van het Romeinse feest van de geboortedag van de zon. Later gebeurde in onze streken bij de kerstening het zelfde met het Germaanse Julfeest. Vanaf die tijd viert men het feest gedurende vier dagen te beginnen op 25 december. Later viert men het geboortefeest alleen op de 25e en wordt de 26e gewijd aan Sint Stefanus, de eerste christelijke martelaar; de 27e aan Sint Jan de evangelist en de 28e aan de Heilige Onnozele kinderen (een juistere benaming zou zijn ‘onschuldige kinderen’), naar het verhaal van Matteüs 2.

Zo wordt de oorspronkelijke verwijzing van de ronde krans als symbool van de zon vervangen door Jezus Christus. Men plaatst vaak op kerstdag een grote witte kaars in het midden om dat christelijk geloof uit te drukken.

Een krans van groen

Omdat planten en bomen overweldigend in groen aanwezig zijn en onontbeerlijk voor het menselijk leven, symboliseert de groene kleur het leven op aarde. Door het afnemende licht en de toename van duisternis en koude is die kleur bijna ‘letterlijk’ weggevallen (bij het vallen van de bladeren). De hoop op nieuw leven, op het herstel van het groen wordt uitgedrukt in het ophangen en neerplanten van takken die toch nog groen blijven in de winter. Ze zijn blijkbaar van en bijzondere kracht voorzien. Ze symboliseerden voor onze Germaanse voorouders dan ook bij uitstek de verwachting naar nieuw leven, vruchtbaarheid en licht. Ook vandaag nog laten de groene takken van de den, de ceders en de spar, de hulst en de maretak (mistletoe) deze hoop op nieuw beginnend leven zien.

Christenen hebben deze gebruiken overgenomen. Ze hebben daar hun eigen verhalen en geloof aan verbonden. Christenen verwijzen met de groene kleur voor de hoop op nieuw leven vaak naar de duif in het verhaal van Noach die na de zondvloed op zoek gaat naar nieuw beginnend leven en terugkeert met een kleine groene olijftak. Tegelijkertijd is deze tak symbool van vrede en de duif wordt de vredesduif genoemd. ‘Vrede op aarde’ werden ook de mensen toegezegd door de engelen in het geboorteverhaal van Jezus. De groene twijgen worden ook verbonden met de verwachting van de profeet Jesaja: Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï, een telg ontbloeit aan zijn wortel… (Jes 11,1-9).

Print Friendly, PDF & Email